OER en Innovatie: wat zijn de mogelijke relaties?

15 oktober 2015

Schumpeter (1934,1942) omschreef innovatie als het maken van “nieuwe combinaties” en als “creatieve destructie”. Onder innovaties verstaan wij in navolging van Davids, Linssen en Van Rooij (2013,16) – voor een bedrijf of organisatie - nieuwe of verbeterde producten, diensten of processen, die naar verwachting zullen leiden tot verbeterde bedrijfsprestaties, zoals meer afzet, lagere kosten en beter kwaliteit.

OER en breder Open Onderwijs kunnen vanuit dit perspectief ook gezien worden als innovaties. Althans, op zijn minst kunnen OER en OE leiden tot innovaties. Volgens Mulder (afscheidsrede) kunnen OER namelijk worden ingezet om de ‘stalemate of the Iron Triangle’in het onderwijs te doorbreken. Volgens Van Damme  hebben OER “the potential to become a truly innovative force in education and learning. OER might change the way we design teaching and learning processes and institutional arrangements in the future, for example by fostering collaborative practices among teachers and learners. They can also change the way we produce, share and distribute human knowledge” (Van Damme 2014)

OER en OE kunnen leiden tot innovatiepraktijken in het onderwijs. Vaak wordt gekeken naar innovaties als uitkomst. Davids et al. (2013) hebben naar innovaties als praktijken gekeken: naar de activiteit, het innoveren, het vernieuwen. Dit is een beschouwingswijze die perspectief vol is. Davids et al (2013) kijken niet alleen het ontwikkelen van nieuwe producten en processen maar ook naar de ermee samenhangende ervaringen in de organisatie van bedrijven en ondernemingen en de kennisinfrastructuur rond de ondernemingen en organisaties. Daarmee sluiten ze aan bij een benadering van innovatie als een complex proces dat maatschappelijk is ingebed en dat niet noodzakelijkerwijs lineair verloopt (Davids et a., 2013, 16).

Wat hebben zij geconstateerd? Kennis blijkt in de innovatiepraktijken een essentieel en cruciaal element te zijn. In het verleden, maar zeker nu. Er zijn verschillende dragers van kennis:

  • de “innovator”,
  • de mensen in een bedrijf of organisaties (‘tacit knowledge’)
  • kennis ligt opgeslagen in technische artefacten (‘embodied knowledge’),
  • kennis vindt zijn weerslag in boeken, documenten en rapporten (‘codified knowledge’),
  • en kennis treft men aan in kennisorganisaties zoals een hogeschool, een universiteit, technologische intituten en ingenieurs- en adviesbureaus, maar ook bij toeleveranciers en handelsorganisaties (de kennisinfrastructuur).

De tweede constatering die Davids et al (2013) hebben gemaakt is het belang van netwerken. Innovatie heden ten dage is geen solistische activiteit meer. Er doen zich ook vele en verschillende vorm van innovaties voor. Zij hebben in een historische analyse van een twintigtal cases laten zien, dat er in Nederland  tegenwoordig mix van innovatiepatronen bestaat, waarbij een belangrijk gemeenschappelijk kenmerk is dat er grote interacties zijn tussen bedrijven/organisaties en de hen omringende kennisinfrastructuur.

Een derde bevinding is dat in de verschillende innovatiepraktijken de persoonsgebonden kennis belangrijk is en blijft. Veel van de kennis is weliswaar gecodificeerde kennis, maar belangrijke delen van de kennis blijven persoonsgebonden en onbenoembaar. Deze ‘tacit knowledge’ speelt een belangrijke rol bij de interpretatie van de gecodificeerde kennis. Interactie en body-to-body is noodzakelijk om gecodificeerde stilzwijgende kennis over te dragen. Zonder  die interacties blijft de gecodificeerde kennis vaak een dode letter.

Die interacties kunnen kortstondig zijn en de vorm hebben van afspraken, bedrijfsbezoeken, tentoonstellingen, conferenties en dergelijke. Ze kunnen ook langdurig zijn, in de vorm van opleidingstrajecten, gezamenlijke onderzoeksprojecten, stageprojecten en adviseringstrajecten.

Een variëteit aan gecodificeerde én stilzwijgende kennis zou ten grondslag liggen aan succesvol ontwerpen innoveren (Davis et al. 2103,216). Het behoeft dan waarschijnlijk weinig betoog dat daarom nabijheid van groot belang is. Regio’s met veel kenniswerkers lijken relatief gezien innovatiever te zijn dan andere regio’s. 

De (economische) bijdrage van universiteiten en hogescholen in kennisregio’s bestaat vooral uit het opleiden van gekwalificeerde arbeidskrachten, de toename van de ‘voorraad nuttige kennis’, het ontwikkelen van nieuw instrumentarium en onderzoeksmethodes en de vorming van kennisnetwerken. Dit betekent dat de bijdrage aan innovatieprocessen in de bedrijven en organisaties in de regio vooral indirect is, en daardoor moeilijk traceerbaar, laat staan kwantificeerbaar.

Wat levert het voorgaande op voor onze beschouwing van OER/OE als en voor innovatie.

  • Oer en OE zijn middelen waarmee en wegen waarlangs de noodzakelijke innovatie van onderwijs gerealiseerd kan worden (Van Damme/Mulder)
  • Het gaat bij innovaties succesvolle combinaties van gecodificeerde en tacit knowledge. Tacit knowledge is mensen. Innovaties blijven mensenwerk. Medewerkers zijn degenen die ideeën moeten omzetten in innovatieve praktijken. In een Hbo instelling zijn dat primair de docenten
  • OER zijn een vorm van gecodificeerde kennis. Deze vorm van kennis blijft van belang voor innovaties.
  • Kennisinfrastructuur en de regio als hoogwaardig en gediversifieerd kennismilieu zijn cruciale factoren in de hedendaagse innovaties. HBO instelling is een van de belangrijke onderdelen van de regionale kennisinfrastructuur
  • Rol van hbo is opleiden van gekwalificeerde mensen. Relevant daarbij ais dat de onderwijsmaterialen state of the art zijn. Hier doet zich dus een wederkerigheid voor.
  • HBO instelling kan mede zorgen voor de cruciale kortdurende en langer durende interacties.
  • En omdat HBO publieke instelling is: open onderwijs, open leermaterialen.

Damme, D. van (2014) Open educational resources sharing content and knowledge differently is a driver of innovation in education. OECD. http://de.slideshare.net/OECDEDU/open-educational-resources-sharing-content-and-knowledge-differently-is-a-driver-of-innovation-in-education

David, M., H. Lintsen & A. van Rooij (2013), Innovatie en kennisinfrastructuur. Vele wegen naar vernieuwing. Boom

Mulder, F.

SCHUMPETER, J.A. 1934, The theory of economic development: an inquiry into profits, capital, credit, interest and the business cycle, Harvard Economic Studies, Vol. 46, Harvard College, Cambridge, MA.

SCHUMPETER, J.A. 1942. Capitalism, Socialism and Democracy, 3rd edition, London:George Allen and Unwin, 197