Over open onderwijs

29 oktober 2016

Over open onderwijs

Vraag een willekeurig iemand aan een universiteit of hogeschool in Nederland naar ‘open onderwijs’, ik vrees dat de kans dan groot is dat we nauwelijks antwoord krijgen. Mijn eerste antwoord op de vraag welke ontwikkelingen er gaande zijn rondom het begrip open of open onderwijs, luidt dan ook: we staan nog steeds aan het begin van de (hype)cycle van dit fenomeen.
 

Verderop zal ik aangeven dat open onderwijs feitelijk al een heel oud fenomeen is. Ik moet daarom preciezer formuleren:  er is binnen het (hoger) onderwijs nog geen sprake van een hype over open onderwijs, wel over MOOCs.
 

Open onderwijs en MOOCS een veelheid van omschrijvingen
Want zou je diezelfde persoon naar “MOOCs” vragen, dan is de kans groot dat je wel een antwoord krijgt waarin het fenomeen redelijk wordt omschreven. Dat brengt mij tot mijn tweede antwoord op de vraag naar ontwikkelingen: als mensen al een idee hebben van ‘open education’, dan is dat het beeld van een MOOC.

Maar als we dan verder kijken, dan zien we dat er een veelheid van omschrijvingen en invullingen van MOOC worden gehanteerd. Robert Schuwer heeft in een van zijn blogs gewezen op de verschillende invullingen van het begrip MOOC tijdens een seminar over MOOC research van de VOR, divisies ICT en HO (blog van 27 mei 2015, http://www.robertschuwer.nl/blog/).  Open blijkt zeer verschillende invullingen te krijgen.

Ik ben het eens met Robert Schuwer dat hiermee goed te leven valt. Er kan en hoeft niet tot één ultieme definitie gekomen te worden. We moeten  een praktische discussie voeren.  Daarvoor is het nodig dat mensen, en zeker onderzoekers, helder omschrijven wat zij bedoelen met MOOC en/of Open Onderwijs, en hoe hun omschrijving en afbakening zich verhoudt tot andere, bijvoorbeeld tot het begrippenkader open en online onderwijs van SURF.

Er is nog een reden waarom niet tot een enkele definitie van open onderwijs gekomen hoeft te worden. Er bestaat inmiddels een verscheidenheid aan vormen van open onderwijs in de praktijk, en die praktijk is nog volop in ontwikkeling. Voor een onderdeel of aspect van dat open onderwijs bestaat inmiddels al een duidelijke en breed geaccepteerde definitie zoals voor Open Educational Resources. Maar voor andere aspecten van open onderwijs geldt dat (nog?)niet. Laat die praktijk zich eerst verder ontwikkelen.

Een evaluatief concept
In deze omstandigheden is het hanteren van evaluatief concept  van ‘open onderwijs’ veel nuttiger (naar Gert Biesta, 2015): je moet telkens kijken naar wat de situatie is, en die beoordelen. Open is dan niet alleen classificatie maar ook een waardebepaling. Vergelijk het  5R-concept van David Wiley. Dit concept draagt zowel het classificerende aspect als het aspect van oordeel in zich. Het 5R-concept van David Wiley is niet alleen bedoeld om te beschrijven, maar is ook bedoeld om te evalueren. Fred Mulder en ik hebben een denkmodel opgesteld dat enerzijds recht doet aan de zich ontwikkelende praktijk van ‘open education’ en anderzijds mogelijkheden tot evaluatie/waardebepaling biedt.

De keerzijde van deze benadering is dat het ruimte voor vaagheid en onduidelijkheid geeft. Maar dat kan ook in het voordeel van de ‘open education’ beweging werken. “Few words in the English language pack as much ambiguity and sexiness as ‘open’” (Martin Weller, 2014). Deze dubbelzinnigheid van ‘open’ kan en moet de ‘open education’ beweging volgens Weller juist gebruiken. Immers het is nog veel te vroeg om te kunnen bepalen welke vormen van ‘open education’ uiteindelijk dominant dan wel de ‘beste’ zullen zijn. Dat zal uitkomst zijn van “The Battle for Open” (Weller, 2014).

Openheid kent een lange traditie in onderwijs (zie Peter & Deimann, 2013). Gebaseerd op de gedachte dat onderwijs een publiek goed dat voor iedereen toegankelijk moet zijn, hebben in afgelopen eeuw verschillende onderwijsdenkers gepleit voor open onderwijs. In Nederland heeft dat geresulteerd in de Volksuniversiteit, de Moedermavo en de Open Universiteit.  Onder invloed van de digitale netwerkrevolutie heeft de openheid nogal wat veranderingen ondergaan. De mogelijkheden die internet biedt hebben grote invloed gehad op de vorm en inhoud van open onderwijs. Zie hierover het artikel van Fred Mulder en mijzelf in Thema.
 

Discussie over gewenste richting
De SURF-publicatie “Begrippenkader Online Onderwijs zou de indruk kunnen wekken van een academisch debat over definities. In mijn ogen is het dat zeker niet. Achter dit debat schuilt een discussie over de richtingen waarin zich het (bekostigd) onderwijs kan en dient zich te ontwikkelen. Gaat het in de richting die pioniers zoals David Wiley bepleiten van principiële vrijheid van en voor individuen met betrekking tot de toegang tot publiek bekostigde kennis en onderwijs, de vrijheid om leermaterialen te gebruiken, te hergebruiken en aan te passen. Of gaat het in de richting van een commerciële interpretatie van openheid? Krijgen we meer en meer te maken met het verschijnsel van “openwashing”:  “open” is slechts de poort om mensen naar een platform te krijgen, om vervolgens allerlei betaalde diensten aan te bieden of om zoveel mogelijk commercieel relevante data over deelnemers te kunnen genereren .

Open onderwijs door de eeuwen heen
Een historische analyse van “open education” door Peter & Deimann (2013) laat zien ‘open onderwijs’ door de eeuwen heen een betwist fenomeen is geweest. Als reden geven zij dat open onderwijs ingaat tegen de vanzelfsprekende neiging en noodzaak van organisaties tot controle.  Dat is een aspect van de sociaal-maatschappelijke strijd rond ‘open’.

Daarnaast is er de kwestie van het heersende discours over ‘leren in onze tijd’ Volgens Biesta (2015) zijn we tegenwoordig omgeven door suggesties dat leren iets goed en wenselijk is, en door beweringen dat leren iets onvermijdelijks is, is iets wat we moeten doen en wat we niet niet kunnen doen: het vertoog van levenslang en levensbreed leren. Waar midden van de vorige eeuw werd gesproken over “permanente educatie” – een relationeel begrip - , gaat het heden ten dage leren in  de eerste plaats om de vorming van human capital, om levenslang leren, een individualistisch begrip . Binnen het paradigma van permanente educatie hadden individuen recht op onderwijs en had de staat de plicht te voorzien in de daarvoor benodigde infrastructuur en hulpmiddelen. In het vigerende paradigma van levenslang leren worden individuen verondersteld zelf te zorgen dat ze hun leven lang leren, en lijkt de staat de positie in te nemen van waaruit e het recht kan opeisen haar burgers hun leven lang te laten leren, aldus Biesta. MOOCs en SPOCs passen perfect in deze omkering van vertogen. De recente move van Coursera, weg van de universitaire wereld in de richting van corporate learning is daar het voorlopige ultieme bewijs van.
 

Open onderwijs en business modellen
Tot slot een opmerking over business modellen en ‘open education’. In het artikel dat Robert Schuwer en ik een aantal jaren geleden hebben geschreven, gaven we aan dat er nog geen duidelijk werkend business model van OER bestond; werkend in de zin van winst genererend. Dat is er nog steeds niet, ook niet dat van David Wiley’s Lumen Learning.  Hoe zit het dan met een eventueel business model van ‘open education’?  

Het antwoord op deze vraag is tweeledig.
Ten eerste: een onderwijsinstelling die wat betreft de “aanbodzijde” (in de zin zoals Fred Mulder en ik dat hebben gedefinieerd) is  over gegaan op nagenoeg 100% open is de OERu. Als we naar haar businessmodel kijken, dan blijkt dat de OERu wat betreft de revenustromen zeer afhankelijk van bijdragen van haar partners en is ( zie: https://wikieducator.org/OERu/Open_business_model_canvases/Open_business_model_canvas_with_questions).

Op de tweede plaats: onderzoek van de OER Research Hub uit de UK laat zien dat een belangrijk deel van de mensen die (op informele manier) open onderwijs volgen, zouden willen overstappen naar formeel onderwijs, maar dan niet noodzakelijkerwijs naar onderwijs van de instelling bij wie ze informeel onderwijs volgen. Het ‘voordeel’ van het open onderwijs komt daarmee niet terecht bij de instelling die het aanbiedt. Instellingen zouden zelfs bewust kunnen afzien van zelf open onderwijs aan te bieden, maar wel de informeel lerenden certificerende trajecten aan te bieden.  Op macroniveau zal dergelijk gedrag niet tot verbreding van open onderwijspraktijken leiden, integendeel zelfs. Hier komt de rol van de overheid om de hoek kijken. Zij zal in mijn ogen een nationaal beleid moeten voorstaan dat instellingen die uit publieke middelen worden gefinancierd verplicht tot open onderwijs. Op deze manier wordt open onderwijs deel van het business model van publieke onderwijsinstellingen.  Met dit pleidooi ga ik aanzienlijk verder dan wat de Minister van OCW schrijft in haar nota “De Waarde(n) van Weten. Strategische Agenda Onderwijs en Onderzoek 2015 -2025”. Daarin zegt zij dat “in gesprek met instellingen en docenten (gaat) over hoe het delen en hergebruiken van Open Educational Resources gemeengoed kan worden en hoe ik hen daarin kan faciliteren  (mijn cursivering)” (pag. 30).

Gebruikte boeken en artikelen

Martin Weller (2014): The Battle for Open. How openess won and why is doesn’t feel like victory. Ubiquity Press.Martin Weller (2105): MOOCs and the Silicon Valley Narrative, In: Journal of Interactive Media in Education, 2015 (1) 1-7

Gert Biesta (2015): Het prachtige risico van onderwijs. Uitgeverij Phronese.

S. Peter & M. Deimann (2013): On the role of openess in education: a historical reconstruction, Open Praxis, 5 (1), 7 -14.

Andy Lane (2014): Placing Students at the Heart of the Iron Triangle and the Interaction Equivalence Theorem Models. In: Education, 2014 (2) 1-8

Ben Janssen & Robert Schuwer – over business modellen en OER

Fred Mulder & Ben Janssen – Open het onderwijs in Thema